Carl Philipp Emanuel Bach (Weimar, 8 maart 1714 – Hamburg, 14 december 1788) was een Duits componist.
Hij is de tweede overlevende en bekendste zoon van Johann Sebastian Bach en Maria Barbara Bach.
Het grootste deel van zijn leven werkte hij in Hamburg. Hij studeerde aan de gymnasia van Köthen en Leipzig.
Oorspronkelijk studeerde hij rechten in Leipzig en Frankfurt an der Oder, maar hij werd in 1740 hofmusicus
(klavecinist) van Frederik de Grote in Potsdam, niet ver van Berlijn. Hij moest daar onder andere de koning,
die een bekwaam fluitist en componist was, begeleiden op het klavecimbel. Hij schreef er voor de verschillende
adellijke personen beroemd geworden muziek: de Preussischen Sonaten (1742) voor Frederik II, de Württembergischen
sonaten (1744) voor de jonge hertog Carl Eugen von Wurttemberg en de Sechs Klaviersonaten mit veränderten
Reprisen (1760) voor prinses Anna Amalia. Zijn brede, algemene ontwikkeling was hem hierbij erg van nut: hij
verkeerde met groot gemak in de hoogste kringen, was charmant, hoffelijk en onderhoudend - eigenschappen die
zijn vader wel eens miste.
Carl Philipp Emanuel heeft regelmatig gereisd. Op 8 januari 1767 - het jaar waarin hij zijn werkzaamheden in
Hamburg begon - heeft hij een concert gegeven in het Concerthuis aan de Poelestraat in Groningen. Carl Philipp
Emanuel Bach werd in Groningen geannonceerd als "de heer Bach van Berlijn" in overeenstemming met de Duitse gewoonte
om van de "Bückeburger Bach" of "Berlijnse Bach" te spreken in een periode dat er tal van leden van deze muzikale
familie kapelmeester en organist waren. In Groningen heeft hij op een klavecimbel "Muziek Stukken van zyne
eigene Compositie" gespeeld. Het Groningse concert wordt in verband gebracht met de werkzaamheden van de
Groningse organist Jacob Wilhelm Lustig (geboren en getogen in Hamburg) die het werk van Johann Sebastian Bach
in Nederland bekend maakte.
Als componist geldt Carl Philipp Emanuel als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Empfindsame
stijl in de muziek, die sterk de nadruk legt op een gevoelvolle expressie en dichtbij de Sturm und Drang ligt.
In dit opzicht is hij een overgangsfiguur tussen de barokstijl van zijn vader en het classicisme van de Eerste
Weense School.
Hij was verder een belangrijk muziektheoreticus voor klavierinstrumenten. Hij kende alle mogelijke theorieën en
technieken en men mag hem zelfs beschouwen als de vader van de moderne pianotechnieken. Zijn Versuch über
die wahre Art das Klavier zu spielen (1753 - 1762) is fundamenteel voor de kennis van de stijl van
klavierinstrumenten in de tweede helft van de achttiende eeuw.
Hij schreef ondermeer 19 symfonieën en 61 concerten, waarvan ruim 50 voor klavier en een merkwaardig
dubbelconcerto voor hamerklavier en klavecimbel, 60 instrumentale duo's voor verschillende instrumenten,
30 triosonates, 200 klaviersonates, orgelsonates, 2 oratoria en 20 passiemuzieken.