Zijn omvangrijk oeuvre, dat door Wolfgang Schmieder thematisch voor het eerst werd gecatalogiseerd en gerubriceerd
in de Bach Werke Verzeichnis (BWV), valt met name op door groot componeer-technisch vakmanschap en sterke emotionele
zeggingskracht. Het is een unieke en zeer persoonlijke synthese van de verworvenheden van de meerstemmige, polyfone
muziek met die van de eenstemmige, de monodie.
Bach wordt, met Claudio Monteverdi en Jean-Philippe Rameau, als hoogtepunt van de muzikale barok beschouwd
(ca 1600-ca 1750). Zijn overgeleverde muziek, die pas vanaf 1800 in grote oplagen gepubliceerd zou gaan worden,
is ook van grote betekenis gebleken voor vele componisten na hem.
In zijn behandeling van polyfonie en harmonie bereikte Bach een kwaliteit waarin hij de grenzen van wat tot
dan toe gerealiseerd was in de klassieke muziek verre overschreed. Bachs oeuvre omvat vrijwel alle stijlen en
vormen die in zijn tijd gangbaar waren, met uitzondering van opera.
Bach werd op 21 maart 1685 te Eisenach in de Duitse deelstaat Thüringen geboren als telg van een oud muzikaal
geslacht (over 7 generaties telde het meer dan 120 musici). Gedoopt werd hij op 23 maart in de
Sankt Georgenkirche, gelegen op het centrale stadsplein van Eisenach waaraan ook het stadskasteel van de vorsten
van Sachsen-Eisenach is gelegen. Als tweede naam kreeg de dopeling de naam van zijn peetoom, Sebastian Nagel,
stadsblazer uit Gotha. Hij kreeg al op zeer jonge leeftijd van zijn vader Johann Ambrosius Bach vioolles.
Hij kan daarom wel worden aangemerkt als 'wonderkind', echter zonder een vaak hiermee samenhangende publieke
bekendheid zoals bij latere musici-componisten zoals Wolfgang Amadeus Mozart en Felix Mendelssohn-Bartholdy het
geval is geweest.
Op negenjarige leeftijd werd hij wees en kwam hij terecht in het gezin van zijn oudste broer Johann Christoph
Bach III, die kerkorganist was in het dorp Ohrdruf. Hij merkte het bijzondere muzikale talent van de jonge
Johann Sebastian op en bracht zijn jongste broer de beginselen van het muziekmaken in extenso bij, vooral
wat betreft het bespelen van het orgel en het klavecimbel. In deze periode begon Bach, voornamelijk op eigen kracht,
met componeren. Hierbij dienden composities van andere meesters - afkomstig uit de muziekverzameling van zijn
oudste broer - als voorbeelden. Een belangrijk deel van de zogeheten Neumeister koralen die in 1984 in Yale,
USA ontdekt werden - een verzameling van enkele tientallen korte koraalvoorspelen voor orgel -
dateert grotendeels uit deze vroege periode.
Rond 1700 werd de gezinswoning van zijn broer, waar de jonge Johann Sebastian woonde, te klein.
Zijn broer was getrouwd en had inmiddels twee kinderen met een derde op komst. Johann Sebastian kreeg
een beurs om gedurende drie seizoenen op het Michaelis gymnasium in Lüneburg in Noord-Duitsland te studeren.
Op deze school kreeg Johann Sebastian Bach vermoedelijk muziekles van cantor August Braun en van organist
F.C. Morhard. In de periode dat Bach op deze school verbleef werd het orgel gerenoveerd en de
renoveerder, J.B. Held, logeerde in de school wat Bach de mogelijkheid moet hebben gegeven op zich
diepgaand te informeren over orgelbouw.
In Lüneburg was destijds Georg Böhm organist van de Sankt Johanneskirche. Johann Sebastian Bach was
een bewonderaar van het spel en de composities van Böhm en bestudeerde deze ijverig. Ondanks dat de
relatie tussen het koor van de Johanneskirche en het koor van de Michaelis gymnasium niet goed was,
hadden Bach en Böhm in deze tijd meermalen contact. Een later door Bachs tweede zoon Carl Philipp Emanuel Bach
gesuggereerde leraar-leerlingverhouding tussen Georg Böhm en de jonge Johann Sebastian Bach blijkt sterkere
papieren te hebben dan tot recent werd aangenomen. Dit blijkt uit een door Bach zelf in 1700 ten huize van
Georg Böhm vervaardige kopie - zoals na de slotmaten nadrukkelijk staat aangegeven - van een omvangrijk
orgelwerk van de Hamburgse meesterorganist Johann Adam Reincken (geboortige Deventenaar!). Het documenteert
de nauwe band in die tijd tussen Georg Böhm en zijn jonge 'meesterleerling' Bach.
In zijn 18de levensjaar vond Bach tijdelijk werk aan het hertogelijke hof in Weimar als 'Laquey' zoals
rekeningen dit vermelden. Veel waarschijnlijker is het dat hij toen reeds, onder bescherming van de
toenmalige Weimarer hoforganist Johann Effler (een oude relatie van Bachs vader Johann Ambrosius) aldaar
voor het eerst als beroepmusicus is opgetreden, als plaatsvervangend hoforganist.
Niet lang daarna, op 13 juli 1703, wijdde hij het nieuwe orgel van de Neue Kirche (thans Bachkirche) in
Arnstadt in. Vermoedelijk deed hij dit o.a. door het vertolken van een van zijn meest briljante en virtuoze
orgelcomposities, de Toccata con Fuga in d-moll waarvoor de briljante Noord-Duitse orgelspeelstijl van
Johann Adam Reincken en Dietrich Buxtehude - hun composities en improvisatietalent had hij tijdens zijn
verblijf in Lüneburg o.a. bij Böhm en tijdens excursies naar het nabijgelegen Hamburg leren kennen -
model hebben gestaan. Bach werd in de kasregisters van de Neue Kirche niet geheel ten onrechte als
hoforganist uit Weimar genoemd. Vrijwel zeker ontving hij voor het inwijden van het orgel een riante
financiële vergoeding.
Een maand later werd Bach tot organist van de Neue Kirche in Arnstadt benoemd. Ook voor deze functie
werd Bach –gezien zijn leeftijd en staat van dienst op dat moment- royaal betaald (hij verdiende
ongeveer het dubbele van wat zijn opvolger zou krijgen). Niet ondenkbaar is dat hij bevoordeeld
werd door de invloed van een prominent familielid, de ziekenhuisdirecteur en vroegere burgemeester
van Arnstadt Martin Feldhaus. Feldhaus moest zich enkele jaren later voor het gerecht verantwoorden
wegens geldverduistering en werd uit al zijn ambten ontheven.
Volgens zijn contract moest Bach de zondagse kerkdienst, een gebedsuur op maandag en de vroege preek op
donderdag op het orgel begeleiden. Verder had hij contractueel geen verplichtingen. Bach weigerde –mede
op grond van dit contract- dan ook regelmatig met het schoolkoor van zijn kerk te musiceren.
Waarschijnlijk speelde hierbij een rol dat Bach het koor en het orkest te matig van kwaliteit vond. Dit
leidde tot enkele conflicten, waaronder een serieus treffen met de student Johann Heinrich Geysersbach
die, nadat Bach tijdens een repetitie beledigende opmerkingen zou hebben toegevoegd over dien muzikale
kwaliteiten, Bach in het gezicht sloeg, waarna Bach zich met een degen verdedigde.
Nadat deze zaak onderzocht was, werd Bach aangeraden toch met koor te musiceren. In plaats hiervan
nam Bach voor vier weken verlof op en vertrok te voet naar de Noord-Duitse stad aan de Oostzee Lübeck.
Bach wilde zich hier, zoals hij later zou verklaren, bij de organist van de Sankt Marienkirche
(tevens componist en concertondernemer) Dietrich Buxtehude, zijn kunstzinnige vaardigheden gaan verdiepen.
Bach bleef veel langer weg dan de overeengekomen vier weken en kwam pas na vier maanden (in februari 1705)
terug in Arnstadt. Hij werd hiervoor door het consistorium berispt.
Tegelijkertijd werd hem meegedeeld dat zijn begeleidingen op orgel van de massaal gezongen kerkliederen
‘te ingewikkeld waren’ waardoor de gemeente in de war raakte, dat zijn koraalvoorspelen te lang waren
en dat hij nog steeds weigerde om met het schoolkoor te musiceren. Bach reageerde op het verwijt dat
zijn koraalzang-inleidingen te lang waren, door voortaan alleen veel te korte koraalvoorspelen te vertolken;
op de andere punten reageerde hij niet of met maanden vertraging.
Ondanks conflicten was Bachs 'Sturm und Drang'periode in Arnstadt wel de tijd waarin hij, zoals zijn zoon
Carl Philipp Emanuel Bach later zou schrijven, 'de eerste vruchten van zijn vlijt' toonde: in Arnstadt
ontstonden namelijk zijn eerste cantates (in relatief kleine bezetting), alsook de eerste representatieve
orgelwerken in grote vorm.
Een jaar nadien, in 1707, werd Bach organist van de Blasiuskirche in de 'vrije rijksstad' Mühlhausen.
In vergelijking met zijn vorige baan betekende deze aanstelling voor Bach een vooruitgang.
De 'vrije rijksstad' Mühlhausen was een veel grotere stad dan Arnstadt en de functie van organist
in de Blasiuskirche stond in de stad in hoog aanzien, in tegenstelling tot de functie van organist
in de Neue Kirche in Arnstadt. In het contract was overeengekomen dat Bach een jaarsalaris van 85
florijnen zou ontvangen (hetzelfde salaris als hij in Arnstadt had ontvangen maar twintig florijnen
meer dan dat van zijn voorganger) en daarnaast een salaris in natura (brandhout, aanmaakhout en graan).
Als tegenprestatie werd van Bach verwacht dat hij zich loyaal naar het stadsbestuur zou opstellen en
dat hij "zich bereid zou tonen om de taken die van hem werden verwacht uit te voeren en te allen tijde
beschikbaar zou zijn en zich met name oprecht en ijverig in zou zetten voor diensten op zondagen,
feestdagen en andere heilige dagen, dat hij het orgel dat hem was toevertrouwd op zijn minst in goede
conditie zou houden, dat hij de daartoe aangewezen personen op de hoogte zou brengen van enig defect en
dat hij zorgvuldig zou toezien op de reparaties en de muziek"[1]. Verder werd -stilzwijgend- van Bach
verwacht dat hij zou samenwerken met de stadsmusici en met koorzangers en instrumentalisten van het
plaatselijke gymnasium. Op 1 juli 1707 trad Bach in dienst.
In Mühlhausen ging Bach voor het eerst in zijn leven zelfstandig wonen. Korte tijd na zijn
indiensttreding (op 17 oktober) trouwde hij met zijn achternicht Maria Barbara Bach, dochter van de
gerenommeerde componist Johann Michael Bach. Ze trouwden in de dorpskerk van Dornheim, 3 km ten noordoosten
van Arnstadt.
Begin februari 1708 voerde Bach daar zijn eerste cantate in zeer grote vocaal-instrumentale bezetting uit:
Gott ist mein König, dat hoogstwaarschijnlijk gemodelleerd is naar twee grote oratoriumcomposities van
Dietrich Buxtehude bij wie Bach ruim twee jaren eerder in Lübeck op bezoek was geweest.
De cantate - officieel met 'Motetto' aangeduid - werd geschreven ter gelegenheid van de (jaarlijkse)
verkiezing van het nieuwe stadsbestuur van Mühlhausen. De autoriteiten waren dermate onder de indruk
van de compositie dat zij besloten om het muziekstuk gedrukte vorm, in aparte stemboeken, uit te geven
(een eer die eertijds reeds beroemde componisten als Georg Philipp Telemann en Georg Friedrich Händel
nog niet was toegevallen).
In juni 1708 vertrok Bach naar Weimar alwaar het orgel van de hofkapel net was gerestaureerd.
Bachs beschermer de hoforganist Johann Effler was ziek en vond zichzelf niet in staat om het gerestaureerde
orgel te keuren en in te wijden. In plaats hiervan vroeg hij Bach over te komen om deze taak uit te voeren.
Dit deed Bach en zijn orgelspel viel bij hertog Willem Ernst van Saksen-Weimar dermate in de smaak dat Bach
een aanbod kreeg hoforganist te worden tegen een jaarsalaris van 150 florijnen. Bach ging onmiddellijk
akkoord met dit aanbod en tekende op 20 juni 1708 het contract. Vijf dagen later, op 25 juni 1708, diende
hij in Mühlhausen zijn ontslag in. In zijn ontslagbrief schreef Bach dat hij door dit salaris een "aangenamer
leven kon leiden" (zijn vrouw was net zwanger van hun eerste kind) en daarnaast dat hij in Weimar alleen
met professionele musici hoefde te werken.
Ondanks het feit dat het snelle vertrek van Bach werd betreurd, bleef de verstandhouding tussen Bach en
Mühlhausen goed. De volgende jaren zou Bach nog tweemaal een cantate bij de verkiezing van het nieuwe
stadsbestuur van Mühlhausen componeren en persoonlijk overkomen om de uitvoeringen te leiden. Beide cantates
zijn verloren gegaan. Later, in 1735, zou Bachs derde zoon Johann Gottfried Bernhard Bach in Mühlhausen
organist worden in de Marienkirche, de lutherse hoofdkerk van Mühlhausen. Bij de auditie van zijn zoon,
werd Johann Sebastian Bach als eregast ontvangen en inspecteerde hij om niet het orgel van deze kerk.
In 1708 werd Bach hoforganist en kamermusicus, later concertmeester van Willem Ernst, hertog van Saksen-Weimar,
een streng gelovig, vrij autoritair regerend, maar kunstminnend vorst. In deze periode componeerde Bach het
overgrote deel van de orgelwerken waarmee hij later beroemd geworden is. Hij maakte in deze periode furore
als orgel- en klavecimbelvirtuoos, briljant kamermusicus en componist. Het verhaal deed de ronde dat Bach
op het orgelpedaal loopjes kon uitvoeren die de meeste organisten niet eens met de handen gespeeld kregen.
Ongeveer halverwege zijn ambtsperiode in Weimar werd Bach benoemd tot concertmeester van het hoforkest.
Ten gevolge van de ziekte van de hofkapelmeester kreeg hij, als lid van een 'team' van vooraanstaande
componerende hofmusici, de opdracht om voor een duidelijk bepaalde vaste zondag van elke maand een
kerkelijke cantate te schrijven ten behoeve van kerkdiensten in de hofkapel, de 'Himmelsburg'.
Bach onderhield in deze periode nauwe collegiale betrekkingen met Georg Philipp Telemann, toen werkzaam als
hofkapelmeester aan het hertogelijke hof in Eisenach, die peetoom zou worden van zijn tweede zoon Carl Philipp
Emanuel. In Weimar werden zes van Bachs kinderen geboren. Door interne conflicten in de hertogelijke familie,
die het hofleven sterk beïnvloedden, keek hij gaandeweg uit naar een post elders. Het vorstenhof in Köthen
bood hem die kans en Bach greep deze kans, maar pas nadat hij een maand lang in de gevangenis van het
hertogelijke slot had moeten verblijven, omdat hij het had gewaagd bij regerend hertog Willem-Ernst -
die Bach uit respect voor zijn grote talenten ongewoon goed bezoldigde - zijn ontslag aan te bieden.
In 1717 werd Bach kapelmeester aan het Hof van de muziekminnende vorst Leopold van Anhalt-Köthen (1694-1728)
in diens vorstendom Anhalt-Köthen. Tegenover Weimar betekende dit een verdubbeling van zijn bezoldiging.
Zijn salaris was even hoog als dat van de hofmaarschalk, de op een na hoogste functionaris aan het Hof.
De aanstelling betekende een radicale breuk met de functies die Bach tot dan toe had uitgeoefend. Het Hof
te Köthen was calvinistisch, zodat er geen plaats was voor een 'gereguleerde' kerkmuziekpraktijk naar
Lutherse opvatting.
Van hofkapelmeester Bach werd verwacht dat hij zich toelegde op wereldlijke muziek als concerten,
feesten en speciale gelegenheden zoals de verjaardag van de prins. Bach kreeg de leiding van een klein
(uit 17 musici bestaand) beroepsensemble van een zeer hoog muzikaal niveau. De kern ervan werd gevormd
door acht kamermusici, waarvan er vijf solist waren geweest in de Pruisische hofkapel in Berlijn en Potsdam,
die in 1713 ontslagen waren door Frederik Willem I van Pruisen bij zijn aantreden. In de zes jaar die hij in
Köthen werkte, schreef hij voornamelijk stukken voor kamerorkesten en solo-instrumenten; 'pour le
divertissement et le plaisir' van vorst Leopold, diens hof en hovelingen.
Bachs hofmuziekrepertoire moet vrij omvangrijk zijn geweest. Toch is daarvan maar een beperkt deel bewaard
gebleven, die dan voornamelijk in versies is overgeleverd van later datum. Zelfs zijn
'Six Concerts avec Plusieurs instruments' (de zogeheten Brandenburgse Concerten) zijn niet voor het hof
van Köthen bedoeld, maar zijn door Bach samengesteld uit ouder en nieuw materiaal bij wijze van
'sollicitatie' naar een functie aan het hof van de Markgraaf van Brandenburg.
Wat uit Bachs Köthener periode is overgeleverd zijn o.a. vioolconcerten, drie sonates en suites voor
viool solo (waarvan een de beroemde Chaconne bevat), zes suites voor violoncello solo en zes Franse
suites en zes Engelse suites voor klavecimbel. Met zijn zes sonates voor concerterend klavecimbel en
solerende viool uit deze tijd realiseerde hij iets nieuws. In plaats van een compositie waarin het
klavecimbel (eventueel met violoncello of viola da gamba erbij) slechts een becijferde baspartij
weergeeft voor te improviseren akkoorden en andere notenfiguren in de rechterhand, waardeert hij
de klavierpartij op tot gelijkwaardige partner van het eigenlijke solo-instrument (in de oorspronkelijke
titel van deze sonatecyclus staat het klavecimbel zelfs vóór de viool vermeld). Bachs eerste vrouw,
bij wie hij zeven kinderen had, stierf in 1720. Hij hoorde er pas van op de stoep van zijn woonhuis,
bij terugkeer van een dienstreis met zijn adellijke broodheer. Het jaar daarop trouwde Bach,
een weduwnaar met kleine kinderen, met de zangeres Anna Magdalena Wilcke, bij wie hij dertien
kinderen kreeg. Van de in totaal twintig kinderen die Bach verwekte zijn er in totaal tien op jonge
leeftijd overleden.
Bach besteedde veel aandacht aan didactische werken. In Köthen legde Bach enkele muziekboekjes aan voor
zowel zijn vrouw als voor zijn kinderen. Daarvan zijn de twee 'Clavier-Büchlein' voor Anna Magdalena Bach
bewaard gebleven. Die voor Carl Philipp Emanuel Bach helaas niet, alhoewel belangrijke delen ervan in de
vorm van afschriften wel de tand des tijds hebben doorstaan.
Ook in Köthen rezen voor Bach problemen die de drang naar het zoeken van een nieuwe betrekking deden
toenemen. Allereerst huwde prins Leopold in 1721 een vrouw met een beduidend andere, 'lichtere'
muzikale smaak. Dit deed de belangstelling van de vorst voor Bachs kunst afnemen. Bovendien moest het
vorstendom - dat formeel onder Pruisen viel - bijdragen aan de financiering van het Pruisische leger.
Daarom werd er gesnoeid in de kosten van onder andere de hofcultuur. Bovendien begon Bach uit te kijken
naar een geschikte plek voor het voortgezette en universitaire onderwijs van zijn opgroeiende zonen
Wilhelm Friedemann en Carl Philipp Emanuel.
Aan Bachs aspiratie tot het vinden van een nieuwe baan heeft het nageslacht vier belangrijke
compositiecycli te danken. Allereerst de 'Brandenburgse Concerten' (zie boven). Nadat hem in 1722
het overlijden ter ore was gekomen van Johann Kuhnau, de cantor (= muziekleraar) van het Thomaskerk-internaat
in Leipzig en koormeester/dirigent van kerkmuzikale uitvoeringen in de Thomaskirche en Nicolaikirche
in die stad, besloot hij naar deze vacant geworden positie te solliciteren. Omdat Bach weliswaar een
gymnasiumopleiding had genoten maar geen (voor zo'n functie noodzakelijke) universitaire, stelde hij
toen bij wijze van 'sollicitatiepapieren' drie compositiecycli samen als onderbouwing van (geëiste)
pedagogische kwaliteiten.
Zijn persoonlijke koraalvoorspelenboekje voor orgel uit Weimar voorzag hij toen pas van een
pedagogisch-toepasselijk titelblad, met daarboven de titel Orgel-Büchlein. Daarnaast ordende hij een
verzameling van betrekkelijk losse, korte twee- en driestemmige klavecimbelstukken uit het
muziekleerboekje voor de oudste zoon Wilhelm Friedemann tot een aparte dertigdelige cyclus. Het is
bekend geworden als 'de inventies (15 tweestemmige inventies) en sinfonia's (15 driestemmige sinfonia's)'.
En tot slot bracht hij reeds bestaande Praeludia en Fuga's - al dan niet bewerkt - met nieuwe samen tot
het eerste deel van zijn beroemde klavecimbelcyclus Das Wohltemperierte Klavier, waarin 24 preludia
en even zovele fuga's in alle majeur- en mineurtoonsoorten de revu passeren.
Bachs aanstelling volgde en in 1723 verhuisde hij naar Leipzig, destijds een belangrijk cultureel en
handelscentrum met vooraanstaande boek- en muziekuitgeverijen, een gereputeerde universiteit en de alom
bekende Leipziger Messe (beurs). J.S. Bach stelde voor zijn zoon Wilhelm Friedemann Bach een reeks
samen van zes triosonates voor orgel (BWV 525-530), die tot zijn beste orgelcomposities behoren.
Bach schreef hier ook het overgrote deel van zijn cantates, in totaal niet minder dan vijf volledige
jaargangen, waarvan vermoedelijk 60% (circa 200) is bewaard gebleven.
In 1731 bedacht Bach voor de installatie van de nieuwe stadsraad van Leipzig een meesterlijke cantate
(BWV 29 Wir danken Dir, Gott, wir danken Dir), met een indrukwekkende instrumentale bezetting, compleet
met pauken en trompetten. In Leipzig was hij cantor van de Thomaskerk en leraar aan de Thomasschule.
Zijn relatie met het stadsbestuur was slecht en men zag hem als een wat vreemde koppige oude man die
met verouderde contrapuntische muziek bezig was. Bovendien werd Bach meer gezien als organist dan als componist.
Bach was dan ook niet bepaald de eerste keus van het gemeentebestuur. Uiteindelijk werd Bach pas benoemd
nadat de componisten Georg Philipp Telemann en Christoph Graupner hadden bedankt. Bach kreeg in deze
periode veel steun van Graaf Hermann von Keyserlingk, die als diplomaat werkzaam was aan diverse hoven.
De bekendste werken die Bach hier componeerde waren de Matthäus-Passion, de Johannes-Passion,
het zogenoemde Weihnachtsoratorium, het tweede deel van het Wohltemperierte Klavier
(eveneens 24 preludes en fuga's), de Mis in b klein (Hohe Messe), de motetten, het Magnificat
(voor Kerstmis 1723) en de vier delen van de zogenaamde Clavierübung, waaronder deel één met zes
Partita's voor klavecimbel en deel vier met de Goldberg Variaties.
Bach had vanaf 1747 een oogziekte. Aan het eind van de lente van 1749 kreeg Bach een beroerte. Daarna ging
zijn gezichtsvermogen sneller achteruit. Tegen de zomer was hij al vrijwel blind geworden. Begin 1750
besloot Bach zich te laten opereren. De operatie mislukte echter, waardoor Bach volledig blind werd.
Desondanks werkte hij hard aan de voltooiing van Die Kunst der Fuge, een reeks fuga's en canons voor
klavecimbel op een en hetzelfde thema waarin de grenzen van alle mogelijke stijlen en vormen werden aangesproken.
De legende wil dat Bach, toen zijn gezondheid verder achteruitging, vanaf zijn ziekbed een laatste
koraalvoorspel aan zijn schoonzoon dicteerde.
Op 18 juli 1750 kreeg Bach volkomen onverwacht zijn gezichtsvermogen weer terug, maar een paar uur
later werd hij getroffen door een beroerte. Hij overleed tien dagen later aan de gevolgen daarvan.
Bach werd drie dagen later op het kerkhof van de St.-Johanneskirche begraven, maar de precieze plek van
zijn graf werd snel vergeten. Die Kunst der Fuge was voltooid en een eerste aanzet voor een nieuw werk
van waarschijnlijk dezelfde omvang en ambitie is bewaard gebleven. (Omdat dit fragment in dezelfde toonsoort
is geschreven wordt veelal aangenomen dat het bij Die Kunst der Fuge behoort. Waarschijnlijk is dat niet.)
Op 7 augustus 1750, ruim een week na de dood van de componist, kwam het stadsbestuur bijeen om een nieuwe
cantor te kiezen. Bachs naam werd nauwelijks genoemd, behalve door een raadslid dat met kennelijke wrok het
vertrouwde cliché herhaalde: De school heeft een cantor nodig, geen dirigent. De burgers van Leipzig
vertrouwden de lastige cantor toe aan de vergetelheid. Bachs vrouw, Anna Magdalena, bleef met haar vijf
kinderen alleen achter zonder bestaansmiddelen. Ze was 48 jaar oud toen Bach stierf, en weigerde te
hertrouwen, zodat ze het voogdijschap niet zou verliezen over haar minderjarige kinderen. Al in 1752 was
de erfenis helemaal op en kreeg zij van de gemeenteraad veertig daalders in ruil voor een aantal onverkochte
exemplaren van "Die Kunst der Fuge". Samen met haar twee jongste dochters van 8 en 12 vond zij onderdak bij
vrienden. Ze stierf in 1760 op 59-jarige leeftijd als 'Almosenfrau', waarschijnlijk in erbarmelijke
omstandigheden, zoals een dodenregister suggereert.
Na zijn dood raakten Bach en zijn werken in vergetelheid. Niet echter zijn orgel- en klavecimbelwerken, die,
zij het in relatief beperkte kringen van musici en gevorderde muziekamateurs, altijd repertoire hebben gehouden.
En ook niet wat betreft een grote, omvangrijke compositie als de "Mis in b" (Hohe Messe) die, in de vorm van een
handgeschreven kopie, zelfs bij Joseph Haydn en Ludwig van Beethoven in Wenen bekend was als 'leervoorbeeld'.
Pas na driekwart eeuw, in 1829, werd ook de vocale muziek van Bach herontdekt, dankzij de inspanningen van
Felix Mendelssohn-Bartholdy die een uitvoering van de Matthäus Passion in de Berlijnse Singakademie organiseerde;
het werd het begin van de definitieve erkenning van de enorme waarde van Bachs muziek.
Bach kreeg in zijn latere jaren als componist en na zijn dood aanvankelijk een minder grote reputatie.
Zijn stijl werd als ouderwets beschouwd in vergelijking met de opkomende klassieke stijl. Hij werd evenwel
herinnerd als musicus, pedagoog, componist en vader van zijn eveneens musicerende en componerende kinderen
(met name Carl Philipp Emanuel en Johann Christian). De direct na zijn dood nog bekende composities waren
klavierwerken, waarvan vele componisten een exemplaar bezaten. Van onder anderen W.A. Mozart en Beethoven
is bekend dat ze het werk van Bach bewonderden. Tijdens een bezoek aan de Thomasschule in Leipzig hoorde
Mozart een motet-uitvoering (BWV 225) en zou hebben gezegd: Kijk, dit is nu iets waar men van kan leren!
Nadat hij delen van het motet in handen had gekregen ging hij op de grond zitten met de koorpartijen om zich heen,
waarbij hij alles vergat, en niet eerder opstond dan nadat hij alle stukken uitgebreid bestudeerd en in
partituurvorm overgeschreven had. Beethoven oefende al als kind op Bachs Wohltemperierte Klavier en noemde
Bach later in zijn leven: Urvater der Harmonie (Grondlegger van de harmonie). Van Beethoven is ook de woordspeling:
nicht Bach, sondern Meer (geen beek maar een zee, gebruik makend van de letterlijke betekenis van Bachs naam).
De wederopbloei van Bachs reputatie als componist bij het brede publiek werd mede mogelijk gemaakt door de
publicatie van Johann Nikolaus Forkels biografie (1802), die onder anderen door Beethoven werd gelezen.
Philipp Spitta's biografie van 1873 was er een aanvulling op. Johann Wolfgang von Goethe maakte relatief
laat in zijn leven kennis met het werk van Bach door een serie optredens van klavier- en koorwerken in
Bad Berka in 1814 and 1815. In een in 1827 geschreven brief vergeleek hij de ervaring van het luisteren
naar Bachs muziek met 'oneindige harmonie in dialoog met zichzelf'.
Vermoedelijk heeft Felix Mendelssohn-Bartholdy de grootste bijdrage geleverd aan het herwaarderen van
Bachs nalatenschap door in 1829 de Matthäus Passion opnieuw uit te voeren in Berlijn. Georg Wilhelm
Friedrich Hegel, die aanwezig was bij deze uitvoering, noemde Bach later een 'groot, oprecht protestant,
robuust en erudiet genie', welke we pas sinds kort weer op volle waarde schatten. Mendelssohns promotie
van Bach continueerde hij in de hieropvolgende jaren en Bachs reputatie groeide evenredig. Het Bach
Gesellschaft werd opgericht in 1850 om zijn werk verder te promoten. Deze organisatie vervulde een
belangrijke rol in de herwaardering van Bach door het publiceren van de bladmuziek. Ook Johannes Brahms
werkte eraan mee. Voor 1871 en kanselier Bismarck probeerde men het opkomende Duitse nationale gevoel
via culturele kanalen aan bod te laten komen in taal, literatuur, geschiedenis en bovenal in muziek uit
heden en verleden. Deze hele onderneming werd ondersteund door de Romantiek, die zich afzette tegen het
Rationalisme. Ook het enthousiasme voor de muziek als enige kunstvorm die direct tot de ziel spreekt,
speelde een rol. Bach werd door de Duitse componisten gezien als hun grote voorloper en voorvader.
Vandaar het groeiend reveil.
Gedurende de 20e eeuw zijn verschillende stukken van Bach herontdekt vanwege hun artistieke en
educatieve waarde. Toen ontstond ook een beweging die streeft naar authentieke uitvoeringen, met
instrumenten uit de tijd van de componist en gespeeld zoals men denkt dat de componist het bedoeld heeft.
Voorbeelden hiervan zijn de inzet van klavecimbels in plaats van concertpiano's en het gebruik van kleine
koren of louter solisten.
In de twintigste eeuw werd het werk van Bach bewerkt en herwerkt in verschillende stijlen: van Stravinsky
tot Schnittke, van Schönberg tot Kagel. Sinds Bachs dood zijn er rond de 300 werken geschreven met Bach als bron.
Fünf Sätze für Streichquartett opus 5 van 1909 van Anton Webern is een bewerking van Bachs Musikalisches
Opfer BWV 1079. Sjostakovitsj schreef in 1950 zijn 24 preludes en fuga's. Andere voorbeelden zijn de Chaconne
in d mineur door Ferruccio Busoni en Stravinsky's versie van de Canonische Variaties. Ook bekend is het
muzikale eerbetoon van de Noorse componist Knut Nystedt met als veelzeggende titel Immortal Bach. Met
dit werk wist de componist traditionele elementen te verbinden met essentiële nieuwe ontwikkelilngen.
In 1950, op de 200e verjaardag van zijn overlijden, kreeg Bach officieel eerherstel, toen zijn stoffelijke
resten overgebracht werden naar het koor van de Thomaskirche. Daar rusten ze nu onder
een eenvoudige gedenkplaat.
Over Bachs methode om les in compositie te geven beschikken wij over verschillende getuigenissen,
waaronder dat van hemzelf; hij verwees ernaar aan het slot van het Clavier-Büchlein, dat hij voor zijn
tweede vrouw Anna Magdalena schreef. Ook Carl Philipp Emanuel maakte er tegenover Forkel opmerkingen over.
Evenals bij zijn klavierlessen vormden een vaste methode en toewijding de sleutels van zijn aanpak.
De leerlingen begonnen met het schrijven van een vierstemmige harmonie naar het model van Bachs eigen
koralen. Zij kregen bijvoorbeeld een of meer van de partijen - sopraan, alt, tenor en bas - en moesten de
rest aanvullen. Elke partij moest op een aparte lijn of notenbalk worden genoteerd zodat men de vorm van
de melodie kon zien, want Bach duldde geen saaie meerstemmigheid; zonder de regels te overtreden moest
elke partij haar eigen melodische lijn hebben. Bach herinnerde zijn leerlingen eraan dat elke partij als
het ware een sprekende stem was die zijn zinnen grammaticaal juist moest vormen en niets mocht zeggen
tenzij hij echt iets te zeggen had. Leerlingen mochten pas met eigen composities beginnen als ze deze
vierstemmige polyfonie en het elementair contrapunt onder de knie hadden. En als ze ermee begonnen,
vertelde hij hun niets te noteren tot ze het hele stuk doordacht hadden. Improviseren op het klavier
als een manier om te componeren werd afgeraden; Bach sprak met minachting over wie hij noemde de
'klaviercavaleristen' die hun vingers op zoek naar ideeën over de toetsen lieten gaan.
Een van de bijzondere aspecten van Bachs composities is het complexe en ingenieuze gebruik van het contrapunt.
Meer dan andere componisten wordt Bach geassocieerd met de fuga. Het bekendste fuga-album is wellicht het
Wohltemperierte Klavier; dit werk, in twee delen van elk 24 duo-composities, bevat in totaal 48 preludes
en fuga's, twee voor elke majeur en mineur toonsoort. Aan het eind van zijn leven schreef Bach Die Kunst
der Fuge, bestaande uit veertien fuga's (die Bach zelf 'Contrapuncti' noemde) en vier canons, alle op hetzelfde
thema gebaseerd.
Veel van zijn muziek schreef Bach voor de Lutherse Kerk. Vanaf 1723 tot aan zijn dood was hij cantor van de
Thomaskerk in Leipzig. Van de overgeleverde motetten zijn vooral Der Geist hilft unser Schwachheit auf
(BWV 226) en Jesu, meine Freude (BWV 227) bekend. Zijn vele cantates (lijst) componeerde hij voor de
reguliere zondagsdiensten buiten de vastentijd; de Johannes-Passion (BWV 245) en de Matthäus-Passion
(BWV 244) waren bedoeld voor speciale diensten op respectievelijk Witte Donderdag en Palmzondag.
De Matthäus Passion werd voor het eerst uitgevoerd in 1727. De barokke Passion is een zeer uitgebreide
cantate (ook wel oratorium genoemd), met als basistekst het lijdensverhaal van Christus als genoteerd
door een van de evangelisten en aangevuld met eigentijdse gedichten en kerkliederen. De barokke passionen
worden soms wel vergeleken met de opera, met dit verschil dat er geen sprake is van dramatische enscenering.