Bartók Béla werd geboren in Roemenië. Al op jonge leeftijd gaf hij blijk van zijn muzikaal talent. Op zijn
negende schreef hij zijn eerste – kleine – composities voor piano, meest korte dansen. Zijn moeder stimuleerde
zijn muzikale ontwikkeling en was zelfs bereid om te verhuizen, om ervoor te zorgen dat haar zoon les kon
krijgen van de beste muziekleraren.
Bartók studeerde piano aan het conservatorium van Presburg (thans: Bratislava) en leerde zichzelf componeren
door partituren te lezen. Later studeerde hij aan de Lisztacademie in Boedapest, onder andere bij
Hans von Koessler. Nadat hij daar was afgestudeerd, werd Bartók concertpianist en – in 1907 – docent piano
aan de eerder genoemde muziekacademie. In zijn vroege werken stond hij sterk onder invloed van werken
van Hector Berlioz, Franz Liszt en Richard Strauss, componisten die hij zeer bewonderde.
In veel van Bartóks muziek is zijn affiniteit met de volksmuziek van de Pannonische vlakte terug te vinden,
zowel in de melodieën als – in grotere mate – in de ritmiek. Maar de grootste invloed gold de harmonie.
Zo leidde het gebrek aan gebruikelijke drieklanken in de pentatonische toonladders in de oude Hongaarse
volksmuziek tot harmonisatie op basis van kwarten en tot beoordeling van de kleine septiem als consonant
en leidden melodieën op basis van modale toonsoorten tot de verrijking van de gebruikelijke toonladders
van zeven tonen met meer noten tot Bartóks eigen weg naar de twaalftoonstoonladder, namelijk op basis
van de nevenschikking van alle noten in de majeur, de frygische en de lydische toonladders.
Veel stukken zijn gebaseerd op één klein thema. De gehele compositie bestaat uit een organische ontwikkeling
en verwerking hiervan. Bartók noemde deze techniek thematische uitbreiding van het bereik en zag dit als
een uitbreiding op de fugatische technieken als inversie en vergroting.
De meeste composities ontberen uitgebreide coda´s. Net als in veel volksmuziek eindigen veel composities
met een laatste presentatie van het hoofdthema.
Composities bestaan vaak uit meerdere lijnen die sterk kunnen verschillen in timbre, tonaliteit en ritme.
Het lijkt soms alsof de verschillende instrumenten of stemmen een onafhankelijke weg gaan. De kern van de
zeggingskracht van zo´n compositie bestaat echter juist uit de muzikale effecten van de samenklank van de
vele per stuk vaak vrij eenvoudige ritmische of melodische lijnen. Deze praktijk leidde tot polyritmiek en
polytonaliteit. Zoals de bladmuziek echter uitwijst is één lijn het belangrijkst en is bepalend voor
maat- en toonsoort.
De muziek die je hoort is een fragment uit het eerste deel van pianoconcert nr. 3.