Hildegard van Bingen (Bermersheim, bij Alzey, Midden-Duitsland, 1098 – Rupertsberg, 17 september 1179) was een
Duitse benedictijnse abdis en geldt als eerste vertegenwoordiger van de Duitse middeleeuwse mystiek.
Zij was onder meer actief op het gebied van religie, kosmologie, wetenschappen, filosofie, muziekcompositie,
poëzie, plantkunde en linguïstiek. Zij was de eerste componiste uit de geschiedenis van de klassieke muziek
die bij naam bekend is.
Zij werd geboren als tiende kind van graaf Hildebert van Bermersheim, een adellijk gezin dat woonde op het
slot van Bermersheim, niet ver van Alzey. Voor haar opvoeding werd ze op haar achtste overgedragen aan de zorg
van Jutta von Sponheim, abdis van het nonnenklooster te Disibodenberg, dat resorteerde onder een groter
klooster van benedictijner monniken.
Al op haar vijftiende jaar legt zij de gelofte af. Als Jutta in 1136 sterft, neemt Hildegard de leiding van
de vrouwengemeenschap over en wordt abdis. Tegen de wil van Kuno van Dissibodenberg, abt van het
benedictijner klooster, besluit Hildegard in 1147 een zelfstandig vrouwenklooster te stichten op de
Rupertsberg te Bingen, onder andere gesteund door de aartsbisschop van Mainz. In 1150 betrekken de nonnen
hun nieuwe onderkomen en in 1152 wordt de bij het klooster behorende kerk door de aartsbisschop gewijd.
De toeloop van vrouwen voor haar klooster is zo groot, dat zij in 1165 een dochterklooster opent te
Eibingen. De onenigheid tussen de abt van Dissibodenberg en Hildegard zal nog jaren voor meer problemen zorgen.
Het was in deze tijd dat Hildegard, met behulp van haar secretaris Volmar, de visioenen die zij vanaf
haar 43e levensjaar kreeg, begon op te tekenen. De officiële kerkelijke autoriteiten volgden haar visioenen
in eerste instantie argwanend. Dit veranderde toen tijdens de synode van Trier in 1147 de heilige Bernardus
van Clairvaux en de aartsbisschop van Mainz haar onder de aandacht van Paus Eugenius III brachten, die haar
aanspoorde en bemoedigde om haar werk voort te zetten. Zo kon zij met de zegen van de Kerk haar eerste grote werk,
Scivias voltooien: Ken de wegen van de Heer.
In het nieuwe klooster beleeft Hildegard haar meest productieve jaren. Daar componeert ze de muziek die haar
tegenwoordig opnieuw beroemd maakt. Deze muziek is net zo afwijkend van het gebruikelijke als haar andere werken,
en vormt in feite een geheel eigen tak aan de boom van het Gregoriaans.
Aan het einde van haar leven komt ze nog in moeilijkheden doordat ze een geëxcommuniceerde kennis in gewijde
grond begraaft. Daarvoor worden zij en haar gemeenschap, o.a. door toedoen van de abt Kuno van Disibodenberg,
gestraft. De straf voor het klooster van Hildegard is het verbieden van het gezongen koorgebed,
het opdragen van de heilige mis en het verbod op het luiden van de klok. Een buiten proportionele straf die
later door hogere kerkelijke autoriteiten, de aartsbisschop van Mainz, werd teruggedraaid ondanks het geen
duimbreed toegeven van Hildegard.
Op 17 september 1179 stierf Hildegard van Bingen op de leeftijd van 81 jaar. De aanwezigen beweerden dat op dat
moment vanuit de hemel een helder licht op haar sponde viel. Haar relieken werden in 1642 overgebracht naar
de parochiekerk in Eibingen. Ze is nimmer heiligverklaard, maar staat toch gewoon op de heiligenkalender.
De muziek die je hoort is de "O aeterne Deus".