Josef Anton Bruckner (Ansfelden, 4 september 1824 - Wenen, 11 oktober 1896) was een Oostenrijks componist. Hij dankt zijn roem hoofdzakelijk aan elf groot opgezette symfonieën (waarvan negen genummerd zijn en twee niet), drie missen in grote bezetting, een Te Deum en een strijkkwintet. Hij legde zich voornamelijk toe op de genres symfonie en religieus koorwerk en bereikte hierin.

Bruckner werd geboren in het dorpje Ansfelden bij Linz in Opper-Oostenrijk, waar zijn vader dorpsschoolmeester was. Hij ging piano, viool, orgel en compositie studeren maar had daarbij geen grote namen onder zijn leraren. Hij was tijdens zijn leven vooral bekend als organist: zijn roem als componist kwam pas aan het einde van zijn leven. Hij leek aanvankelijk voorbestemd zijn vader op te volgen als schoolmeester. Zijn eerste standplaats was het gehucht Windhaag waar hij hulpmeester werd en waar ook zijn eerste composities ontstonden. In Windhaag werd hij voor zonderling aangezien en hij had er dan ook geen plezierige tijd. Gelukkig bracht een betrekking als organist van zijn geliefde orgel in de St. Florian in Stift hem terug bij de muziek. Zijn eerste composities ontstonden al vroeg in zijn leven en waren vooral liturgisch van aard. Zijn Requiem in d-klein (1849) bewijst dat hij al in zijn 'jonge jaren' over grote compositorische gaven beschikte en op de hoogte was van de 'Klassieken' zoals Mozart en Haydn. Toch durfde Bruckner de stap naar een leven als professioneel componist niet te wagen. Het lag in zijn aard om veilige wegen te bewandelen en dus om ambtenaar te worden.

In 1855 werd hij Domorganist van Linz. Daarnaast bleef hij harmonieleer en compositie studeren. Zijn obsessie om overal diploma's te behalen is legendarisch geworden. Belangrijke leermeesters in zijn Linzer studiejaren waren Simon Sechter in Wenen voor harmonieleer en contrapunt en in Linz zelf Otto Kitzler die hem de weg naar de symfonie wees. Op zeker moment (1864) kon niemand hem meer wat leren en waagde hij de stap. In 1864 en 1865 schreef Bruckner respectievelijk zijn eerste grote mis (in d-klein) en zijn eerste symfonie in c-klein. Het waren meesterwerken die op de toenmalige luisteraars grote indruk maakten. Toch werden deze, en ook zijn latere grote werken door dat publiek zelden begrepen. In 1865 maakte hij kennis met de persoon en de muziek van Richard Wagner. Al begreep hij van Wagners literaire drama's vrijwel niets, de klankwereld van deze titaan opende voor Bruckner definitief de poort naar een nieuwe symfonische esthetiek.

Bruckner bleef het symfonie-schema van Beethoven in principe trouw, verwerkte daarin invloeden van anderen, en gebruikte meer de stijlmiddelen, polyfonie en harmonie van Palestrina, Bach, Mozart en Schubert. In 1868 vertrok Bruckner definitief naar Wenen om daar als docent harmonieleer en contrapunt aan het conservatorium zijn oude leermeester Simon Sechter op te volgen.

De muziek die je hoort, is een fragment uit Bruckner's geniale vijfde symfonie.