Antonín Leopold Dvořák werd geboren in Nelahozeves, bij Kralupy nad Vltavou in Bohemen, op 8 september 1841. Hij was componist, dirigent, muziekpedagoog, (alt-)violist en organist. Dvořák wordt met Bedřich Smetana en Leoš Janáček gerekend tot de grootste componisten van Tsjechië.

Antonín was het eerste van negen kinderen. Al op 6-jarige leeftijd kreeg hij zijn eerste vioollessen. Later kreeg hij ook piano- en orgelles en begon hj met componeren. Ook leerde hij de Duitse taal. Door de ervaring die hij kreeg tijdens het spelen in een orkest, ontwikkelde hij de vaardigheid om te componeren. Hij hield zich voornamelijk bezig met strijkkwartetten en zou daar in totaal 14 van schrijven. Toen hij met het orkest verbonden raakte aan het Nationaal Theater, leidde dit in 1866 tot de premiere van zijn opera "De verkochte bruid". Dvořák gaf in die tijd ook pianolessen. In 1873 trouwde hij met Anna Čermáková, één van zijn pianoleerlingen.

Intussen was hij bezig met het schrijven van 2 symfonieën en om meer tijd voor het componeren te hebben, stopte hij als altviolist in het operaorkest. Van 1871 tot 1873 werden liederen en kamermuziek uitgevoerd. Toen hij voor zijn hymne "Die Erben des Weißen Berges" voor koor en orkest, op. 30, voor de eerste keer een Tsjechisch-nationaal verhaal als uitgangspunt nam, betekende dat voor hem een regelrechte doorbraak bij het grote publiek.
Rond 1878 raakt Dvořák bevriend met Johannes Brahms. In die tijd schreef hij de Slavische dansen. De invloed van Brahms is hierin te horen. De eerste uitvoering van de Slavische dansen in Engeland vond plaats op 15 februari 1879 in het Londense Crystal Palace. Voor Londen schreef hij de 7e symfonie (1885), maar vooral zijn vocale muziek werd enthousiast door het Engelse publiek ontvangen, de eerste keer in de lente van 1883 met het Stabat Mater. Hij kreeg ook opdrachten voor oratoriumachtige werken. Zo schreef hij in 1884 de cantate Svatební košile (De geestelijke bruid), in 1891 voor de stad Birmingham het Requiem en voor het Leeds Festival in 1885 en 1886 het oratorium Svatá Ludmila (De Heilige Ludmilla)

Van 1892 tot 1895 onderbrak Dvořák zijn docentschap aan het Praags conservatorium (sinds 1891) en hij werd directeur van het door Jeanette Thurber gestichte National Conservatory in New York City. Naast het werk aan het conservatorium vond hij ook tijd voor het dirigeren en vooral voor het componeren. Zo ontstonden belangrijke "Amerikaanse" werken, als de symfonie nr. 9 in e-klein "Uit de Nieuwe Wereld", opus 95, het strijkkwartet F-groot, op. 96. De laatste symfonie no. 9 werd zijn populairste werk. Dvořák had een voorliefde voor het toneel, bijzonder voor de opera. Met zijn opera Rusalka (1900), behaalde hij internationaal succes als operacomponist.
Vaderlandsliefde, grote verbondenheid met de natuur, een diepe religiositeit, maar eveneens uitbundige levensvreugde komt in het werk van deze bescheiden mens tot uitdrukking, die met groot geduld vele mislukkingen doorstond. Met medewerking van Brahms werden zijn Slavische dansen gepubliceerd en werd Dvořák bekend in de grote muziekwereld. Antonín Dvořák overleed in Praag op 62-jarige leeftijd.

De muziek die je nu hoort, is het beroemde celloconcert. Je kunt de midifile hier downloaden.
En ook symfonie nr. 9 deel 2 en 4: