Arnold (Franz Walter) Schönberg (Wenen, 13 september 1874 – Los Angeles, 13 juli 1951) was een Oostenrijks-Hongaars componist, muziekleraar en -theoreticus en schilder. Hij wordt als grondlegger van de twaalftoonsmuziek tot de invloedrijkste componisten van de twintigste eeuw gerekend.

Zijn muzikale vorming begon met vioollessen op achtjarige leeftijd, waarna hij al snel zelf begon te componeren. De dood van zijn vader in 1889 en de daarop volgende armoede van de familie dwongen hem in 1891 zijn school te verlaten en te werken als kantoorklerk in een bank. Voor het schrijven van zijn strijkkwartet in D (1897) kreeg hij adviezen van Zemlinsky. Zemlinsky zorgde als lid van het comité van de Wiener Tönkunstlerverein ook voor een uitvoering ervan in maart 1898 in de Verein. Het strijksextet Verklärte Nacht van het jaar daarop (1899) werd echter afgewezen door de Verein, het begin van een lange reeks afwijzingen van zijn werken. Schönberg zette al in zijn vroege werken de eerste stappen in de ontwikkeling van de chromatiek die in 1908 uiteindelijk zouden leiden tot een loslaten van de harmonie gebaseerd op drieklanken en de tonaliteit.

Schönberg onderhield zich in zijn levensbehoeften met het leiden van arbeiderskoren en het orkestreren van operettes. Tussen maart 1900 en april 1901 maakte hij intussen een begin met het schrijven van de omvangrijke Gurrelieder. Ook ontmoette hij er Alma Maria Schindler, later de vrouw van onder meer Gustav Mahler. In 1901 huwde Schönberg Zemlinsky's zuster Mathilde (1877-1923).

Mahler was zeer onder de indruk van Schönbergs Verklärte Nacht. Het bezorgde Schönberg de voortdurende steun van Mahler. Pas in 1905 vond de eerste uitvoering plaats van Pelleas und Melisande, onder leiding van Schönberg zelf in de Wiener Musikverein.

In 1907 werden Schönbergs eerste strijkkwartet en de Eerste Kammersymphonie uitgevoerd. Wederom sprak Mahler zich publiekelijk uit ten gunste van Schönberg en tot zijn dood in 1911 bleef hij de componist steunen. Uitvoering van het tweede strijkkwartet in 1908 leidde nog tot meer oproer. Het werk heeft in het derde en vierde deel een partij voor sopraan, op teksten van de Duitse dichter Stefan George. Het kwartet is een keerpunt in zijn oeuvre: het moment waarop hij de tonaliteit verliet en de overgang maakte naar zijn expressionistische periode. De eerste vrije dissonante werken, Das Buch der hängenden Gärten en de drie pianostukken (opus 11), werden ontvangen met algeheel onbegrip.

Van 1911-1925 woonde en werkte Schönberg in Berlijn. Zijn naam begon internationaal door te dringen en het publiek stond meer open voor zijn vroege muziek, en zijn latere werk maakte nieuwsgierig. Het einde van de eerste wereldoorlog betekende een vernieuwde internationale belangstelling voor muziek. In Amsterdam werd Schönberg tot voorzitter benoemd van het Mahler Genootschap en in 1920-1921 keerde hij er terug voor concerten en lezingen over muziektheorie. In deze tijd kreeg zijn nieuwe compositieproces, het serialisme vorm. Tussen 1920-1924 schreef Schönberg de eerste drie seriële werken: de Fünf Klavierstücke (opus 23), de Serenade (opus 24) en het Blaaskwintet (opus 25).

Schönberg schreef ondermeer: vocale muziek, muziekdramatische werekn, muziek voor zang en zang met orkestbegeleiding, instrumentale muziek, soloconcerten, kamermuziek en pianomuziek.

De muziek die je hoort is een fragment uit het pianoconcert opus 42.