Richard George Strauss (München, 11 juni 1864 — Garmisch-Partenkirchen, 8 september 1949) was een Duitse
componist en dirigent. Richard ontpopte zich al vroeg als een muzikaal talent.
In 1876 schreef hij zijn Festmarsch, op. 1, die samen met twee andere werken in 1881 gepubliceerd werd.
Vanaf 1882 studeerde hij aan de universiteit Filosofie en Kunstgeschiedenis.
Na zijn debuut als dirigent aan het theater in Meiningen in 1884 werd hij op advies van de dirigent
Hans von Bülow voor het seizoen 1881-1882 in München 2e kapelmeester naast Von Bülow zelf.
Zijn eerste werken waren zogenaamde symfonische gedichten. Deze zijn te omschrijven als programmamuziek
waarin een verhaal ('gedicht') te horen is. Sommige van de symfonische gedichten van Strauss waren
op bestaande gedichten of andere literaire werken gebaseerd. Een van de eerste symfonische gedichten
van Strauss was het vierdelige Aus Italien (1886). Daarna volgden Macbeth (1886-1888),
Don Juan (eveneens 1888), Tod und Verklärung (1889-1890), Till Eulenspiegel (1895),
Also sprach Zarathustra (1896), Don Quichote (1897), Ein Heldenleben (1897-1898).
Strauss legde zich vanaf 1893 tevens toe op het componeren van opera's. Zijn eerste opera's, Guntram (1893) en
Feuersnot (1901), waren niet erg succesvol. De doorbraak kwam in 1905 met Salome, op de letterlijk
in het Duits vertaalde tekst van het toneelstuk van Oscar Wilde, dat handelt over de onthoofding
van Johannes de Doper. Het succes en de opbrengst van Salome waren gigantisch. Strauss kocht er zijn
buitenhuis in Garmisch-Partenkirchen, in de Beierse Alpen, van. In dat huis is hij tot zijn dood in 1949
met zijn vrouw, de zangeres Pauline de Ahna (met wie hij sinds 10 september 1894 getrouwd was) blijven wonen.
Na Salome componeerde Strauss wederom een opera op een bewerking van Sophokles' drama: Elektra.
Dit was tevens het begin van een succesvolle samenwerking met de tekstdichter Hugo von Hofmannsthal.
De derde grote opera van Strauss en Von Hofmannsthal was Der Rosenkavalier (1910), wellicht het
allergrootste succes uit het leven van Strauss. De samenwerking met Von Hofmannsthal ging daarna
verder in Ariadne auf Naxos, een opera in een opera.
Het laatste grote werk van de twee was Die Frau ohne Schatten. Na de voltooiing hiervan overleed
Von Hofmannsthal. Strauss moest op zoek naar andere librettisten, maar een hechte samenwerking
als met Von Hoffmansthal kwam niet meer tot stand.
In 1936 componeerde hij de Olympische Hymne.
Tegen het einde van zijn leven componeerde hij het symfonisch gedicht Metamorphosen en de
Vier letzte Lieder (1948) op gedichten van onder meer Joseph von Eichendorff en Hermann Hesse,
die in 1950 door Kirsten Flagstad in Londen in première gingen.
Hoewel Strauss geen nazi was, leidde zijn tolerante en opportunistische houding ten opzichte van het
naziregime voor en in de Tweede Wereldoorlog wereldwijd tot kritiek. Hoewel Strauss ook na de
Tweede Wereldoorlog een gewaardeerd componist en dirigent bleef, is die kritiek nooit geheel weggenomen.
Strauss overleed, met zijn vrouw en zoon aan zijn zijde, op 8 september 1949 in zijn huis in
Garmisch-Partenkirchen. Dit huis bestaat tot op de dag van vandaag en behoort toe aan zijn nakomelingen.
Het is niet voor het publiek toegankelijk.
Strauss trad als dirigent minstens éénmaal in Nederland op. In Nederland was Willem Mengelberg een
trouw pleitbezorger van zijn werken. Ein Heldenleben (1900) is zelfs aan
zijn Concertgebouworkest opgedragen.
De muziek die je hoort is een fragment uit de opera Salomé.