1 - De hoofddrieklanken.
Het is mogelijk om op elke toon van de toonladder een drieklank te plaatsen, die uit tertsen is opgebouwd.
Per toonladder zijn er 7 verschillende drieklanken mogelijk. De drieklanken krijgen hun eigen rangijfer.
De becijfering wordt aangeduid met Romeinse symbolen.
In majeur zijn de trappen I, IV en V groot, II, III en VI zijn klein en VII is verminderd.
Alle trappen worden verdeeld in Hoofd- en nevendrieklanken. I, IV en V zijn de hoofddrieklanken.
II, III, VI en VII zijn de nevendrieklanken.
Omdat de hoofddrieklanken zo belangrijk zijn hebben ze hun eigen naam gekregen:
I = Tonica
IV = Onderdominant
V = Dominant
De dominantdrieklank is altijd een grote drieklank (majeur) ook in een mineurtoonsoort.
Hulpmiddel: De onderste toon van de tonica is dezelfde als de bovenste toon van de onderdominant.
En de bovenste toon van de tonica is de onderste van de dominant.