2 - Zettingen, liggingen en verdubbelingen van de hoofddrieklanken.


Harmoniseren doen we vierstemming, als voor een gemengd koor; sopraan, alt, tenor en bas. Daarom moet een van de tonen van de drieklank worden verdubbeld. Voor deze verdubbeling lenen zich uitstekend de grondtoon en de kwint. De terts verdubbelen we slechts in uitzonderlijke gevallen.

De 4 noten worden genoteerd op twee notenbalken, sopraan en alt op de bovenste, tenor en bas op de onderste. Denk aan de stokrichting; sopraan en tenor omhoog, alt en bas naar beneden! Elke stem heeft zijn eigen omvang. Zorg dat de stemmen zich binnen deze grenzen bewegen.

Een drieklank zonder grondtoon is onmogelijk. Een tertsloze drieklank is niet toegestaan, maar een drieklank zonder kwint mag gerust worden genoteerd, maar dan moet de grondtoon worden verdriedubbeld.

Wanneer tussen sopraan en alt en tussen alt en tenor een akkoordtoon kan worden ingevoegd, spreekt men van een wijde ligging. Wanneer zo'n invoeging niet mogelijk is, dan spreekt men van een akkoord in enge (nauwe) ligging. Wanneer invoeging gedeeltelijk kan, spreekt men van gemengde ligging.

De maximale afstand tussen sopraan en alt en tussen alt en tenor, bedraagt een oktaaf, en stemkruising is verboden.
Wanneer de grondtoon van de drieklank in de sopraan ligt, spreken we van oktaafligging. Met de terts in de sopraan, spreken we van tertsligging en met de kwint in de sopraan heet het kwintligging.

De leidtoon is de 7e toon van de toonladder. Deze moet in de harmonisatie altijd oplossen naar de grondtoon.
De minimale afstand tussen de buitenstemmen is een kwint.