4 - Het kwart-sext-akkoord


Het kwart-sext-akkoord is de tweede omkering van een drieklank. Omdat het kwart-sext-akkoord nog minder dicht bij de grondligging van de drieklank ligt, dan het sext-akkoord, moet het kwart-sext-akkoord met veel zorg worden toegepast en voldoen aan strenge regels. De kwart-sext-akkoorden komen alleen voor op de hoofddrieklanken:

a) het doorgaand kwart-sext-akkoord; het kwart-sext-akkoord op trap V (V 6/4)
b) het voorhoudingskwart-sext-akkoord; het kwart-sext-akkoord op trap I (I 6/4)
c) het wisselkwart-sext-akkoord; het kwart-sext-akkoord op de vierde trap (IV 6/4)

Het doorgaand kwart-sext-akkoord (V 6/4) mag alleen op het lichte maatdeel worden gebruikt, tussen twee eerste trappen.
Een eenmaal aangenomen basrichting moet worden gehandhaafd. Het moet dus een doorgaande beweging zijn.

Het voorhoudingskwart-sext-akkoord (1 6/4) mag alleen op het zware of relatief zware maatdeel worden gebruikt. Het vindt zijn vaste plaats tussen trap IV en V in de midden- of slotcadens. Een cadens is een groep akkoorden die nodig zijn om de toonsoort duidelijk vast te leggen. Bijvoorbeeld IV - V- I. Een cadens bevindt zich altijd aan het einde van een frase.
Wanneer we de cadens IV - V - I uitbreiden met het I 6/4 akkoord krijgen we: IV | I 6/4 - V | I
Vanaf nu schrijven we I 6/4 in de cadensformule.

Het wissel kwartsext-akkoord mag alleen tussen twee eerste trappen worden gezet.