6 - De nevendrieklanken - de tweede trap
Zoals we al eerder hebben besproken, zijn I, IV en V de hoofddrieklanken en II, III, VI en VII de nevendrieklanken.
Deze nevendrieklanken hebben geen zelfstandig karakter, maar ontlenen dit aan een van de hoofddrieklanken.
De nevendrieklanken kunnen echter als plaatsvervanger van de hoofddrieklanken optreden.
Zoals uit bovenstaand voorbeeld blijkt, staat de nevendrieklank II tertsgewijs tussen IV en VII.
II heeft met IV gemeen, de belangrijkste tonen van de drieklank, namelijk de grondtoon en de terts.
II heeft met VII gemeen, de minder belangrijke tonen van de drieklank, namelijk de terts en de kwint.
Omdat II de belangrijkste tonen met IV gemeen heeft, is de functie van II gelijk aan die van IV, dus
onderdominantisch.
II kan als plaatsvervanger van IV optreden.
Hoewel II van IV is afgeleid, is II toch een sterkere onderdominant dan IV zelf.
Daarom is de verbinding II - IV onjuist, vanwege het dan optredende onderdominantische energieverlies.
Daarentegen is de verbinding IV - II heel goed, vanwege de onderdominantische intensivering.