Vaak is een orgel opgebouwd uit meerdere delen, die bespeeld worden met een eigen toetsenbord. Zo kan een speeltafel van een groot orgel, wel drie of vier manualen (klavieren) hebben. Wanneer we uitgaan van een drie-klaviers orgel, dan bestaat het orgel dus uit drie delen, die alle drie afzonderlijk bespeeld kunnen worden. Ook kunnen alle klavieren tegelijk bespeeld worden, door met een speciaal mechanisme, de klavier-koppel genoemd, te zorgen dat de toetsen van de andere klavieren ook naar beneden gaan, wanneer je op het hoofd-klavier speelt.

Wanneer je je voorstelt, dat je als organist op de orgelbank zit, dan hebt je vlak voor je de drie klavieren, trapsgewijs boven elkaar. Een eindje boven je hoofd, kijk je tegen de pijpen van het hoofdwerk aan. Hierin bevinden zich de krachtigste registers van het orgel. Dit gedeelte is meestal verbonden met het middelste klavier.

Helemaal bovenin, dus nog boven het hoofdwerk, bijna tegen het plafond van de kerk, bevindt zich het bovenwerk, verbonden aan het derde klavier. Tenslotte het rugwerk, dit ligt achter je, het staat enigzins los van de rest van het orgel en ligt het dichts bij de mensen, beneden in de kerk. Je zit dus als organist tussen de delen van het orgel in. Het rugwerk is verbonden met het eerste klavier, het onderste dus.




Aan weerszijden van het hoofdwerk bevinden zich de pedaaltorens. Hierin bevinden zich de langste pijpen van het orgel: Die van 8 voet en 16 voet en soms zelfs 32 voet. Deze beide pedaaltorens bevatten de lage registers, voor het voetenwerk dus.
Op het plaatje hiernaast zie je de registerknoppen. Klik op het plaatje voor een grote foto.