De drawbars die de Hammond zo bijzonder maken zijn
staafvormige schakelaars die zorgen voor de verschillende klanken van het instrument. Wanneer de drawbar helemaal
dicht is, is de bijbehorende klank uit, bij een geheel geopende drawbar is de klank ingeschakeld op het hoogste
volume. De drawbar kan men bijna geheel traploos instellen, zodat van iedere te gebruiken klank exact het gewenste
volume kan worden ingesteld. Wat deze klanken betreft kunnen we eigenlijk kort zijn, want al klinkt het vreemd, er
is maar één klank! Deze unieke Hammondklank lijkt een beetje op een soort fluit, maar heeft toch een
geheel eigen karakter.
Maar wat het zo bijzonder maakt, is dat aan iedere drawbar een verschillende hoogte van deze klank is gekoppeld.
De aanduidingen op de drawbars zijn getallen, die de toonhoogte weergeven, precies als bij het pijporgel.
De aanduiding VOET (ook wel afgekort met een 'komma) is een oude lengtemaat, vergelijkbaar met de lengte van een
volwassen voet. De rij pijpen van het kerkorgel, die de normale toonhoogte weergeeft, de hoogte waarop de gemiddelde
mens zingt, wordt het 8-voets-register genoemd. De andere pijpen uit dit 8-voets-register worden steeds een stukje
korter; hoe langer de pijp, hoe lager de toon. Dit principe geldt voor snaren en ook voor pijpen. We kennen het al
van de oudste vorm van de panfluit. Deze voet-maten vinden we ook bij de Hammond.
In het hoofdstuk over het pijporgel kun je een uitgebreide uitleg lezen over de voetmaten.
Hier vind je ook een paar luistervoorbeeldjes, die je een goede indruk geven, wat er voor klankkleuren
gemaakt kunnen worden met de registers, dus ook met de drawbars van de Hammond.